Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Navigatie

Navigatie
Menu de navigation
U bent hier: Home / Loisirs / Toerisme / Toerisme website / Erfgoed / Architectuur / Industrieel Erfgoed
Document acties

Industrieel Erfgoed

Molens

De molen van Spontin

werd gebouwd met blauwselstenen en werd tot 1953 gebruikt. Op de benedenverdieping vinden we het enorme schoepenrad met ijzeren ankers, voorzien van planken waar er een paar van ontbreken, en opzij het radarwerk. Op de eerste verdieping vinden we 4 molenstenen die ervoor zorgen dat het tarwemeel vermaald kan worden en dat de gerst geplet kan worden voor het vee. De tweede verdieping bevat de rest van de machines waaronder de pelinstallatie van spelt, die het geheel van werktuigen afmaakt.

De twaalf hoogovens van Yvoir

Eerste hoogoven genaamd "forge d'Yvoir"
Tweede hoogoven genaamd "forge Hamaide"
Derde hoogoven genaamd "forge Gobeaux"
Vierde en vijfde hoogovens genaamd "les forges de Redeau"
Zesde hoogoven genaamd "marteau Jean"
Zevende hoogoven genaamd "le marteau Thomas"
Achtste hoogoven genaamd Forge en Maca de la Gayolle
Negende hoogoven genaamd "le marteau Jacques"
De tiende en elfde hoogovens op le marteau Foeuillen : op 11.05.1655, dragen de hoogovens de namen "marteau Feuillen" en "marteau Henry"
De twaalfde hoogoven in bauche (oorspronkelijke schrijfwijze werd behouden).
De gebouwen van deze hoogovens zijn nu nog zichtbaar.

Vanaf de 14de eeuw is Yvoir het centrum van een belangrijke ijzerindustrie.  Ze bevatte 12 hoogovens waarvan de eerste " la forge d'Yvoir genoemd werd. De hamer is nog te vinden nabij de Bocq achter het sportcomplex en de tweede "la forge d'Aminthe".  Het leven in de regio sloeg een moderne richting in door de fases van welvaart en de recessie van de hoogovens.  Zij stopten hun activiteiten in 1866 na de dood van de laatste eigenaar en werden omgebouwd tot molens en zagerijen.   Tijdens deze eeuw werden er sluizen gebouwd en de houtskool werd vervangen door steenkool. 

De tweede hoogoven 'Hamaide' of 'Aminthe'

is gelegen aan de rue du Blacet, recht tegenover de kalkoven die nog steeds zichtbaar is.  Er staat nog steeds een mooie linde die de eigenaars van de hoogovens op de binnenplaats van hun hoogoven plaatste en er een nisje aanhingen.  In 1861, offert de bisschop van Namen er een nis toegewijd aan de Heilige Maagd.  Een nis wordt altijd aan de stam van een boom gehangen.

Het kasteel van Yvoir met de derde steenoven of forge Gobeau en een smederij

oude feodale plaats van de heerlijkheid van Yvoir.  De eerst gekende landsheer is Wéry de Corioule, die leefde voor 1388.  Afgebroken in 1554 door Henry II (evenals Bouvignes en Montaigle) in de oorlog tussen het koninkrijk Frankrijk en de Spaanse Nederlanden van Karel de Vijfde.  Heropgebouwd in 1679, gaat het naar Montpellier (eigenaar hoogoven) omstreeks 1688.  Het kasteel valt in de handen v  J.B. de Wilmet, een andere eigenaar die de hoogoven groter maakt. Daarna wordt het gekocht door A. Dapsens in 1868, wanneer de vallei van Bocq zich richt op de ontginning van de steengroeves; iets wat een ander stuk geschiedenis is voor Yvoir en de Bocq-rivier.
 
De andere hoogovens : op het parcours dat loopt van Bocq tot aan Bauche kunnen de negen andere hoogovens teruggevonden worden.  Gelegen op privé-terrein en vaak ook gevaarlijk, wordt het afgeraden om ze te bezoeken.

Waarom de ijzerindustrie in Yvoir ?

De ijzererts wordt makkelijk uit de bodem van de regio gehaald.
Het hout (getransformeerd tot houtskool) dat onmisbaar is voor het voeden van de hoogovens en ovens is in grote hoeveelheden aanwezig in onze bossen.  Wanneer het hout hier zeldzamer is, gaat men het halen bij Duché de Luxembourg aan de Maas (Givet).  De onmisbare energie wordt verkregen door de stroming van de Bocq-rivier.

Belang van het ijzer in Yvoir

Enkele cijfers om de situatie in Yvoir te schetsen
In 1563 : 8 hoogovens, aan het eind van de 18de eeuw :
in 1775 : 5 hoogovenseigenaars op de 24 uit de provincie Namen wonen in Yvoir.
in 1808 : 765 arbeiders op de 1495 voor het arrondissement van Dinant.
Op ongeveer 5,5 km van Bauche bevinden zich 12 hoogovens en een onafhankelijke smederij.

Evolutie van de hoogovens

Ze zijn omgebouwd tot molens, oliefabrieken en marmerzagerijen.  De laatste hoogovens sluiten  in 1870, de eeuw van de kanalisering van de Maas.
De vallei van Bocq verandert door de aankoop van Alfred Dapsens in 1868 die begint met de exploitatie van steengroeves.
Het Maka is een smeedhamer die aangedreven wordt door een hydraulisch tandwiel.  Dit tandwiel met roterende beweging stoot achtereenvolgens tegen de rand van de hamersteen en heft deze op.   Vervolgens valt het gewicht van de hamer opnieuw op het aambeeld.   Het maka diende vooral om grote en sterke baren te smeden en baren van kleine afmetingen te maken.  Het gemiddelde gewicht van een Maka-baar is 510 kg waarvan 84 kg voor de hamer en 210 kg voor de steel.

Productie van kalk

In grote trechters voorzien van vuurvaste stenen, stort men eerst houtbundels.  Men voegt er steenkool aan toe aangeleverd door wagentjes afkomstig van de spoorweg.  Daarna een laag breukstenen van blauwsel, dan een laag steenkool en nog een laag stenen.
De ovens branden dag en nacht.  De kalk wordt opgevangen door uitmondingen die geplaatst worden aan de onderkant en vervoerd in wagens die in lange convooien naar de staalfabrieken vertrekken.
De kalkovens worden gebruikt om het afval te verwerken.

De steenkolenindustrie in de vallei van Bocq

De eerste vestigingen van de metaalindustrie hadden er baat bij om zich dicht tegen de bossen te bevinden.  Zoals we eerder al gezien hebben, was houtskool gedurende lange tijd de onmisbare brandstof voor de productie van ijzer. Dit type van kolen zorgde voor een goede verlaging van ijzererts.  Men begrijpt dus dat de bossen in de omgeving van Ervehailles voornamelijk gebruikt werden om de grote hoeveelheden houtskool te krijgen die nodig waren voor de industrie.  Houthakkers en kolenhandelaars maakten gedurende een lange periode deel uit van het landschap van lokale beroepen. 

Wanneer de ijzerindustrie verzwakt, vestigt Alfred Dapsens, afkomstig uit Doornik, zich in Yvoir.  Hij kocht de gebouwen van de oude hoogovenseigenaars en exploiteerde er zandsteengroeves die zeer belangrijk waren gezien de zeldzame vindplaatsen ervan in België.
De Vallei van Bocq van Yvoir te Spontin, kende en kent nog steeds een belangrijke activiteit van ontginning van steengroeves
De gesteenten die ontgonnen worden in de Vallei van Bocq zijn voornamelijk " ZANDSTEEN ", ontgonnen in de geologische laag van Montfort, en, in mindere mate, " BLAUWSEL ", ook " KLEINE GRANIET VAN DE VALLEI VAN BOCQ " genaamd.  Deze gesteenten worden al lang ontgind in de vallei, aangezien de gebouwen uit de XVIIde en XVIIIde eeuw gemaakt zijn uit deze materialen.
Gezien de snelle uitbreiding van deze steengroeves, werd Mijnheer Dapsens verplicht om een transportmiddel te voorzien om de goederen te vervoeren naar de uithoeken van de spoorweg van Noord-België en ook tot aan de Maas  Zo bouwde hij in 1876 een kleine spoorweg .  Deze spoorweg werd al snel te klein en werd in 1882 dan ook vervangen door een belangrijkere variant.   In 1884 verschijnt de eerste locomotief op deze privé-lijn. Daarvoor werden de wagons aangedreven door paarden.